Bij elke religie zijn er wel bepaalde kernpunten die iedereen kent, zoals het Wiel van Dharma in het boeddhisme en de Tien Geboden in het jodendom en het christendom. Ook de islam kent een dergelijke lijstje van kernpunten: de Vijf Zuilen van de Islam (Arkan-ul-Islam). Er zijn vijf plichten die Allah via de profeet Mohammed heeft opgelegd. De eerste is de Shahadah, ofwel de geloofsbelijdenis. De tweede, Salaat, betekent dat de moslims tussen het aanbreken van de dag en het vallen van de avond vijf keer tot God moeten bidden. De derde is Zakaat, ofwel geven van liefdadigheid. De vierde is Saum, het vasten tijdens de Ramadanmaand. De vijfde is de Hadj, de bedevaart naar Mekka in de twaalfde maand van het islamitische jaar.

Deze plichten leren een moslim discipline, stiptheid en toewijding aan Allah.

Naast de vijf zuilen van de islam zijn er nog vele andere belangrijke daden die een moslim ook in acht moet nemen; zoals de schepping van God rechtvaardig, goed en eerlijk behandelen enzovoort.

De islam werd in het jaar 610 door de profeet Mohammed opgericht. Hij werd geboren in de Koeraich-stam, die de heilige stad Mekka bestuurde (in het huidige Saoedi-Arabië). Ten tijde van zijn geboorte in 571 gingen de meeste mensen daar bij een zwart heiligdom, dat nu bekend staat als de Ka’aba. Toen waren er meer dan 360 heidense afgoden in en rond de Ka’aba. De mensen in Mekka waren erg rijk en hadden veel slaven, die ze erg slecht behandelden. Ze hadden ook een aantal wrede gewoonten, zoals het dood van pasgeboren meisjes. Door dit soort zaken raakte Mohammed nogal overstuur. Hij begon steeds meer na te denken over de mens. En toen, in 610 na Chr., ontving hij de boodschap die Mekka voorgoed zou veranderen.

Moslims geloven dat de engel Gibriël Mohammed in 610 na Chr., toen hij 40 jaar was, in de grot Hira bezocht met een boodschap van God. Gibriël vertelde Mohammed dat God hem had uitverkoren als Zijn laatste profeet. De openbaringen die Mohammed tot zijn dood in 632 zou ontvangen, vormen samen het heilige boek van de islam: de koran. Mohammed geloofde dat het zijn taak was de oorspronkelijke religie van de mensen in ere te herstellen en te voltooien, en dat hij een plaats innam onder de bijbelse profeten  die eveneens door God waren gestuurd om de mensen op te roepen zich aan God te onderwerpen.

De inwoners van Mekka aanbaden echter vele goden en verwierpen zijn oproep om slechts één God te aanvaarden. In 622 vertrok Mohammed met een kleine groep gelovigen uit Mekka naar het stadje Yathrib, dat nu Medina genaamd is. Het jaar van deze emigratie (hijra) zou uiteindelijk gelden als het eerste jaar van de islamitische kalender. In de Medina vestigde Mohammed de eerste Moslimgemeenschap.

In 630 leidde Mohammed het leger van de groeiende moslimgemeenschap naar Mekka, dat zich zonder strijd overgaf. Toen Mohammed twee jaar later overleed, was het grootste deel van het Arabische schiereiland al bekeerd tot de islam. Mohammed werd opgevolgd door een reeks plaatsvervangers (kaliefen), die de islam lieten uitgroeien tot een nieuwe wereldmacht.

Het woord Allah komt in de koran meer dan 2500 keer voor. Moslims beschouwen Allah als de oorspronkelijke god van de Ka’aba, het heiligdom in de Mekka. In de tijd vóór de islam aanbaden de inwoners van Mekka de maangod Hubal en al-‘Uzza, maar al lang voor de geboorte van Mohammed beschouwden de Arabieren Allah als een belangrijke godheid, naast hun andere goden. Mohammeds vader heette bijvoorbeeld Abd Allah, wat zoveel betekent als ‘dienaar van Allah’. Met de komst van profeet Mohammed is Allah in de islam en in de koran eenvoudigweg de naam van ‘de enige God die aanbeden mag worden’. In het Arabisch is Allah volledig gelijk te stellen met bijvoorbeeld het woord (Enige) God (met een hoofdletter) in het Nederlands.

Moslims stellen dat Allah dezelfde God is als de God uit de joodse en christelijke geschriften, waarmee ze bevestigen dat de islam een voorzetting vormt van het christendom en het jodendom. Volgens de moslims kennen deze drie religies dezelfde God en dezelfde heilige schriften, maar ze menen dat elke religie een hervorming, perfectionering en aanvulling is van wat voorafging.

De naam Allah is niet de enige naam die word gebruikt om Allah aan te duiden. In de Koran staan vele namen en eigenschappen van Allah vermeld. Elke naam en eigenschap vertelt ons iets meer over wie Allah is. Zo leert de Koran ons dat Allah, de Alhorende en de Alziende is, de meest Barmhartige en de Alwetende, de Almachtige en de Schepper van de hemelen en aarde. Hij is uniek, wat betekent dat Hij niet gelijk is aan Zijn schepping. Hij is de meest Rechtvaardige. Dus de meest perfecte eigenschappen komen Hem toe die op vele plaatsen in de Koran vermeld staan. Een voorbeeld van de omschrijving die Hij van Zichzelf geeft, is terug te vinden in hoofdstuk 112 van de Koran.

Een moslim is iemand die het islamitische geloof navolgt. Om een moslim te zijn, moet je geloven dat Allah de enige god is en de boodschap van de profeet Mohammed, de oprichter van de islam, accepteren. Het woord ‘moslim’ betekent ‘iemand die zich overgeeft aan God’. Er zijn meerdere groepen moslims, die dezelfde basisovertuigingen hebben, maar die over sommige dingen verschillend denken. De grootste groepen zijn de soennieten en de sjieten.

Zo’n 85 tot 90 procent van de moslims wereldwijd zijn soennitisch. De term ‘soennisme’ verwijst naar de tradities die werden gevolgd door Mohammed en de eerste moslims.

Na de dood Mohammed waren sommige moslims van mening dat zijn neef en schoonzoon Ali hem had moeten opvolgen in de plaats van de eerste drie kaliefen die na Mohammed kwamen. De term Sji’at Ali, of Sji’a, betekent ‘Partij van Ali’: degenen die van mening zijn dat het religieuze en politieke leiderschap van de moslimgemeenschap voor altijd toebehoort aan de afstammelingen van Ali en zijn vrouw Fatima, de dochter van de profeet Mohammed.

Er zijn meer dan een miljard moslims, verspreid over de hele wereld. Het merendeel woont in het Midden-Oosten, Afrika en Azië. Moslims komen uit heel verschillende culturen, die allemaal hun eigen tradities kennen.

De islam is een godsdienst dat vooral dicht staat bij twee andere grote wereldgodsdiensten: het jodendom en christendom. 

Alle drie de godsdiensten gaan uit van het geloof in één God en eerbied voor heilige boeken waarin Gods woord staat opgetekend. 

Alle drie dragen hun gelovigen op rechtvaardig en vriendelijk te handelen, en bijzondere zorg te hebben voor arme en zwakke mensen. 

De moslims ( én joden en christenen) beschouwen Abraham als profeet en aartsvader van het monotheïsme, en zien Jeruzalem als heilige stad. 

Moslims noemen Jezus Isa, en eren hem als een ware profeet en een grote leraar. Maar in tegenstelling tot de christenen geloven zij niet dat Jezus de Zoon van God is, en dat Hij stierf toen Hij gekruisigd werd. In plaats daarvan geloven moslims dat God Jezus van het kruis heeft weggehaald, rechtstreeks naar de hemel. 

Moslims geloven dat God sinds profeet Adam, de eerste mens, vele profeten heeft gezonden om mensen te leren goed te leven. 

Voor moslims was Mohammed de ‘zegel van de profeten’, de allerlaatste, wiens woorden alle belangrijke onderwijzingen samenvatten van degenen die hem waren voorafgegaan.